Ik verhuisde

Daar ben ik weer. Twee jaar, twee eindscripties en pak ‘m beet vijftigduizend essays verder. Inmiddels woon ik in Rotterdam. Dat weten jullie – althans, daar ga ik vanuit. Toch wil ik jullie daar graag wat over vertellen. Voornamelijk omdat ik hier inmiddels alweer een tijd geleden schreef dat ik uit huis wilde. Dat is nu dus gebeurd.

En snel ook. Halverwege mijn master was ik ineens van Goeree-Overflakkee, het culturele centrum van Nederland, vertrokken. Voor de helft dan tenminste. Op zaterdag ben ik thuis, want dan werk ik. Afijn, ‘eindelijk’ zit een enkeling van jullie nu vast geïrriteerd te zuchten. Daar kan ik me in vinden. Ik wilde namelijk al een tijdje naar de stad. En dat zei ik af en toe ook. Maar ik miepte en hakte geen knopen door. Uiteindelijk stopte ik met dat eerste en deed ik dat laatste. Dat was in maart. Toen een studievriendin vroeg of ik bij haar kwam wonen, zei ik ja. Dat had ik overigens best snel besloten. Kort daarna verhuisde ik. En toen woonde ik ineens in Rotterdam, dat was namelijk in twee dagen gepiept. Snel hè?

Verhuizen was een goede keuze. Het bevalt uitstekend. Dat merk ik aan heel veel dingen. Hoe goed ik me voel als ik thuiskom in Rotterdam of wanneer ik door de stad fiets bijvoorbeeld. Alles is dichterbij en makkelijker. Dat is behoorlijk cliché, maar daardoor niet minder prettig.

 

Nu ga ik een paar zinnen overdrijven. Dat is soms best grappig.

 

Ik heb bijvoorbeeld een socialer leven. En oh, laat ik vooral ook niet vergeten te vermelden dat er een supermarkt op loopafstand zit. Drie zelfs. Mensen, er gaat een wereld voor me open. Het is een vorm van luxe die ik eerder niet kende. En nu niet miepen over mijn rijbewijs. Het gaat om het principe: Een supermarkt in de buurt (lees: dichterbij dan een dorp verderop) is gewoon best prettig. Ja, dat is prettig.

Toch moet ik nog steeds wennen aan het feit dat ik voor mezelf moet zorgen, maar ook aan het stadsleven. De was neem ik mee naar huis. En hoewel veel mensen denken dat ik goed kan koken omdat ik in een keuken werk: dat valt vies tegen. Koken lukt half. Nou ja, eigenlijk steeds beter. Basic dingen als pasta, groenteburgers, wraps en salades gaan me prima af. Grappig genoeg eet ik nauwelijks kant-en-klaar maaltijden, want ongezond.

Tot slot ben ik eigenlijk ook nog steeds een dorpsmiep. Vooral in het verkeer. Af en toe schrik ik van sirenes en soms is het wel héél druk in de stad. Verder durf ik tijdens het fietsen niet mijn oordopjes in te doen en eigenlijk durf ik ook mijn telefoon niet uit mijn zak te pakken omdat ik bang ben dat ik word aangereden. Dit is overigens al een paar keer gebeurd – en dan dus zonder oordopjes. Neehee, niet echt met ambulances en alles. Gewoon wat boze mensen, maar dat schijnt erbij te horen. Maar daar schrik ik dan dus ook weer van. Verder wacht ik altijd braaf op groen. En als ik dan eens rebels wil zijn en door rood wil fietsen of lopen, word het altijd net groen. Dan wachtte ik dus alsnog te lang.

Al met al vermaak ik me hier prima, maar is de dorpeling in mij nog niet verdwenen. Maar goed, dat duurt waarschijnlijk wel even. En trouwens: misschien hoeft dat ook helemaal niet te gebeuren.

Geef een reactie